© 2009 SKW-
Ontworpen door Stefan

Deel 1 Algemeen
1 inleiding
1. Eerste hulp is die hulp die – in afwachting van deskundige hulp – op verantwoorde wijze door een leek kan worden verleend bij een plotsoornis in de gezondheidstoestand van een medemens.
2 Vijf belangrijke punten bij het verlenen van eerste hulp
2 1. Let op gevaar
2. Nagaan wat er is gebeurd, wat iemand mankeert
3. Stel het slachtoffer gerust
4. Zorgen voor deskundige hulp
5. Iemand helpen op de plaats waar hij ligt of zit
3.De eerstehulpverlener zal eerst maatregelen moeten nemen voor:
a. zijn persoonlijke veiligheid
b. de veiligheid van anderen; het slachtoffer en de omstanders
4. Het gevaar proberen op te heffen of beschermingsmaatregelen nemen.
5. Naderend verkeer, brand, muren die dreigen om te vallen, elektrische stroom, brandgevaarlijke stoffen en gas.
6. Met de noodvervoersgreep van Rautek
7. Dit aan het slachtoffer en/of de omstanders vragen, het slachtoffer en de situatie bekijken
8. Een slachtoffer is vaak heftig geschrokken, voelt zich angstig en alleen of is prikkelbaar
9. Een arts, de ambulance of de politie.
10.
a. de naam van de melder
b. plaats waar de hulp heen moet komen
c. wat is er gebeurd
d. aantal slachtoffers
e. wat het slachtoffer mankeert
11. verplaatsing kan verergering van het letsel tot gevolg hebben
3 het menselijk lichaam
12. Uit miljarden cellen
13. a. dekcellen
b. botcellen
c. kraakbeencellen
d. spiercellen
e. zenuwcellen
f. bindweefselcellen
g. vetcellen
14. Zenuw-
15. Weefsels
16.
a. Dekweefsel, dat het lichaamsoppervlak en de inwendige holten bedekt (huid en slijmvliezen)
b. Botweefsel dat hard en minder elastisch is
c. Kraakbeenweefsel, dat minder hard en veerkrachtig is dan botweefsel
d. zenuwweefsel, dat signalen doorgeeft van de hersenen naar de verschillende delen van het lichaam en omgekeerd
e. bindweefsel en vetweefsel. Deze vullen de ruimte tussen de organen op.
17. De werktuigen van het lichaam, gevormd door een aantal weefsels
18. De hersenen. Het hart, de maag, de nieren, de huid, de ogen en de oren.
19. Organen, die samen een bepaalde taak hebben.
20.
a. beschermt het lichaam tegen schadelijke invloeden en tegen uitdroging
b. regelt door middel van zweetafscheiding en bloeddoorstroming de lichaamstemperatuur
c. onderhoudt door middel van tastlichaampjes het contact van het lichaam met de omgeving
21.
a. geeft vorm en steun aan ons lichaam
b. beschermt een aantal belangrijke organen zoals de hersenen het hart en de longen
c. dienst als aanhechting voor de spieren
22. Voor het mogelijk maken van beweging
23.
a. willekeurige spieren (deze kunnen zich op commando samentrekken en ontspannen. Zij zijn als regel door middel van pezen met de botten verbonden Daardoor kunnen de botten en spieren ten opzichte van elkaar worden bewogen, bijvoorbeeld de armen en de benen.
b. Onwillekeurige spieren (deze werken buiten onze wil om. Zij komen voor in bijvoorbeeld het hart, de maag en de ingewanden)
24. Het voedsel om te zetten in brandstof en bouwstoffen
25. In het spijsverteringskanaal
26. Mondholte, keelholte, slokdarm, maag, dunne darm, dikke darm. Endeldarm
27. De nieren, blaas en de zweetklieren
28. Baarmoeder, eileiders, eierstokken, penis, balzak en teelballen.
29.a. zuurstof uit de lucht op te nemen
b. het bloed van zuurstof te voorzien
c. Koolzuur uit het bloed te verwijderen
d. Koolzuur af te voeren uit het lichaam
30.
a. de luchtweg, de verbinding tussen de longen en de buitenwereld. De bovenste luchtweg bestaat uit neus, keelholte en luchtpijp
b. De longen waar de gasuitwisseling plaatsvindt. De longen liggen links en rechts in de borstholte
c. De ademhalingsspieren, die ervoor zorgen dat de borstholte afwisselend groter en kleiner wordt.
31.
a. Zuurstof en Brandstof (voedingsstoffen naar de cellen in alle delen van het lichaam te brengen.
b. Afvalstoffen van de verbranding uit de cellen naar de longen en de nieren te brengen
32.
a. de hersenen
b. de zenuwen
c. het ruggenmerg
33. a. Dat het lichaam op de juiste manier reageert op allerlei invloeden van buiten zoals hitte, koude, vocht, licht en geluid.
b. dat er een goede samenwerking is tussen alle organen
34. Het gezicht, het gehoor, de reuk, het gevoel en de smaak
35. a. zuurstof
b. brandstof
36.
a. de zuurstof komt via de longen in het lichaam
b. de brandstof zit in het voedsel
37. In de cellen
38. Koolzuur, water en in wateroplosbare stoffen. Deze worden afgegeven aan het bloed dat zorgt voor de afvoer uit het lichaam via de longen en de nieren
39. Het opnemen van zuurstof en voedingsstoffen in het bloed, de verwerking daarvan en het afvoeren van de afvalstoffen uit het lichaam
40. Zuurstof kan niet in het lichaam worden opgeslagen, maar moet steeds weer worden aangevoerd. Brandsof kan wel worden opgeslagen, onder meer in de vorm van koolhydraten
41. De hersenen
Deel 2 Stoornissen in de vitale functies
1 het zenuwstelsel
42. De hersenen liggen in de schedelholte het ruggenmerg in de wervelkolom
43. Een dikke bundel zenuwvezels die gevoelsprikkel vanuit het lichaam naar de hersenen brengen en zenuwvezels die vanuit de hersenen prikkels naar de spieren brengen
2 de ademhaling
44. a. de luchtwegen b. de longen c. de ademhalingsspieren
45. de neusholte, mondholte, keelholte en luchtpijp
46. In de neusholte wordt de lucht bevochtigd, verwarmd en gezuiverd van stofdeeltjes
47. Strottenhoofd
48. Bij het slikken van voedsel sluit het strotklepje het strottenhoofd, en dus de luchtpijp af, en komt de voedselbrok in de slokdarm terecht. Op deze manier wordt voorkomen, dat voedsel in de luchtpijp terecht komt (verslikking)
49. Door de hoefijzervormige kraakbeenringen
50. In de borstholte splitst de luchtpijp zich in twee groet takken, een voor elke long. Deze twee takken verdelen zich in steeds kleiner wordende takken en takjes. De bronchiën
51. Bij de inademing trekt het naar boven gewelfde middenrif zich samen, en wordt
vlakker. Hierdoor wordt de borstholte groter. Tegelijkertijd trekken de tussenribspieren
zich samen, waardoor de ribben omhoog-
52. Door het ademhalingscentrum in de hersenstam
53. Wanneer het koolzuurgehalte in het bloed boven een bepaald niveau stijgt.
3 bloed, hart en bloedvaten
54. a. fungeert als vervoermiddel van zuurstof, voedingsstoffen en afbraakproducten van de stofwisseling b. speelt een rol bij de afweer tegen ziekte kiemen c. is betrokken bij de bloedstolling
55. Voor ongeveer de helft uit de bloedvloeistof, het plasma. De andere helft bestaat uit bloedcellen
56. a. rode bloedlichaampjes b. witte bloedlichaampjes c. bloedplaatjes
57. Een ijzerhoudende rode kleurstof, de bloedkleurstof. Deze stof neemt gemakkelijk zuurstof uit de longblaasjes op en geeft deze aan de weefsels af.
58. De witte bloedlichaampjes hebben tot taak het lichaam tegen een infectie te beschermen. Zij kunnen binnengedrongen ziektekiemen onschadelijk maken.
59. Bij het stollen van het bloed
60. Hart en bloedvaten
61. Het pompen van het bloed door de bloedvaten
62. Linkerboezem, linkerkamer, rechterboezem, rechterkamer
63. Door een prikkel die ontstaat in de wand van de rechterboezem (de sinusknoop) en ervoor zorgt dat de boezems zich gelijktijdig samentrekken. De prikkel wordt door een speciaal geleidingssysteem aan de kamers doorgegeven, waarna ook deze zich gelijktijdig samentrekken
64. Via de kransslagaders, die in een krans over de buitenkant van het hart lopen en zich vertakken door het gehele hart
65. a. slagaders b. haarvaten c. aders
66. Aan de halsslagader en de polsslagader
67. Haarvaten
68. In de aders van de ledematen
69. De grote bloedsomloop begint in de linkerkamer.
De linkerkamer pompt zuurstofrijkbloed in de grote lichaamsslagader, de aorta. Deze geeft zijtakken af naar alle organen, waar de steeds kleiner wordende slagadertjes zich vertakken tot slagaderlijke haarvaten. Door de wand van de haarvaten heen worden zuurstof en voedingsstoffen aan de weefsels gegeven en afvalstoffen opgenomen. De haarvaten verenigen zich tot aders. De aders komen uiteindelijk bijeen in de holle adres. De bovenste holle ader brengt het bloed van het hoofd, de hals en de armen naar het hart.
De onderste holle ader voert het bloed uit de benen en de romp terug.
De holle aders monden uit in rechterboezem van het hart. Van de rechterboezem stroomt het bloed naar de rechterkamer.
Gegeven:
Schema van de normale bloedsomloop met:
Rood voor O2-
70. De kleine bloedomloop begint in de rechterkamer. Deze pompt het zuurstofarme bloed door de longslagaders naar de longen. De longslagader vertakt zich in de longen in talrijke haarvaten. Deze vormen een netwerk rond de longblaasjes. Door de wanden van dit netwerk van haarvaten wordt koolzuurgas uit het bloed afgegeven en zuurstof in het bloed opgenomen. Het nu zuurstofrijke bloed stroomt via de longaders weer terug naar het hart, waar het in de linkerboezem binnenkomt. Via de linkerboezem stroomt het bloed naar de linkerkamer.
71. De hersenfunctie, de ademhaling en de bloedsomloop (A.B.C.)
72. Het bewustzijnsniveau
73. Een stoornis in het bewustzijn, de ademhaling en/of de bloedsomloop, omdat deze het leven onmiddellijk bedreigen
5 stoornissen in het bewustzijn
74. a. verminderd bewustzijn
b. bewusteloosheid
75. Door aanspreken en het licht schudden van de schouders
76. Door een gestoorde hersenwerking
77. Als hij bij het aanspreken de ogen opent en samenhangend antwoord geeft
78. Verwardheid, sufheid, soms agressiviteit
79. Geen reactie op aanspreken: de ogen worden niet geopend en er wordt geen antwoord gegeven/ Er kan wel met geluiden of bewegingen worden gereageerd op het schudden aan de schouders.
80. Geen enkele reactie op aanspreken en schudden aan de schouders
81. Door een ademhalingsstoornis met als gevolg zuurstof tekort
82.
a. schedel-
b. ziekten
c. stoornissen in de ademhaling en/of bloedsomloop
d. vergiftiging
e. te hoge of te lage temperaturen
f. inwerking van elektriciteit
g. verdrinking
83. a. een bewustzijnsstoornis kan soms van korte duur zijn; het slachtoffer komt snel bij en lijkt geheel in orde. Bij ieder slachtoffer met schedelletsel moet daarom gevraagd worden of er bewustzijnsverlies is geweest, met andere woorden of het slachtoffer zich kan herinneren wat er gebeurd is
b. soms treedt de stoornis van het bewustzijn pas na enige tijd op (vvoral bij bloedingen tussen de schedel en de hersenen
84.a. vallende ziekte (epilepsie)
b. beroerte
c. suikerziekte
85.a. voorkomen dat het slachtoffer zich tijdens het toeval verwondt
b. zorgen voor een vrije ademweg na de toeval zolang het slachtoffer nog niet bij bewustzijn is
86. Doordat een bloedstolsel een slagadertak in de hersenen plotseling afsluit
87. Soms:
a. een plotselinge verlamming
b. hevige hoofdpijn
c. bewustzijnsverlies
88. Een stof uit de alvleesklier die ervoor zorgt dat de hoeveelheid suiker in het bloed binnen nauwkeurige grenzen blijft
89. Doordat iemand niet voldoende insuline produceert. Hij kan dan geleidelijk slaperig worden en uiteindelijk bewusteloos raken
90. Door een dieet te houden en zichzelf een daarop afgestemde hoeveelheid medicamenten toe te dienen (insuline of tabletten)
91. Wanneer zij geneesmiddelen nemen zonder daarbij voldoende te eten
92. Geeuwen en zweten, soms agressiviteit, bewusteloosheid
93. Een kortdurende vermindering van het bewustzijn als gevolg van een plotseling optredende, afgenomen bloedtoevoer naar de hersenen
94. a. uitputting door vermoeidheid honger of zwakte (na een ziekte)
b. psychische oorzaken, zoals plotselinge schrik, emoties, benauwde omgeving
c. bloedarmoede, waardoor er te weinig zuurstof in de hersenen komt
95. a. bleke gelaatskleur
b. zweten
c. geeuwen
d. uiteindelijk bewustzijnsverlies
96. Trachten bewustzijnsverlies te voorkomen. Het slachtoffer in de frisse lucht brengen, proberen hem gerust te stellen en hem plat neerleggen.
6 stoornissen in de ademhaling
97. Zorgen dat er lucht (zuursof in de longen komt)
98. Door te kijken (naar de borst/buik), Te luisteren (oor boven de mond), te voelen met de wang.
99. Hij kan een benauwde indruk maken, naar adem snakken en/ of een blauwe kleur hebben
100. Aan de gierende, piepende, zagende, snurkende of rochelende ademhaling
101. Door je wang boven neus en mond van het slachtoffer te houden en vast te stellen of je een luchtstroom hoort en/of voelt.
102. de ademhaling is normaal als deze zonder rochelende of gierende geluiden verloopt. Borst en buik van het slachtoffer regelmatig op en neer gaan, er een normale huidskleur is en het slachtoffer geen benauwde indruk maakt.
103. Een normale ademhaling kan bedreigd worden bij bewusteloosheid, bij een slachtoffer met een aangezichtsletsel door bloeding en zwelling in neus en mond en door verbranding van de luchtweg.
104. Wanneer de ademhaling een gierend of rochelend geluid maakt, wanneer het slachtoffer duidelijk benauwd is, naar zijn keel grijpt of naar adem snakt.
105. Wanneer je de borst en buik van het slachtoffer niet op en neer ziet gaan of alleen af en toe een beweging ziet. Dergelijke slachtoffers hebben vaak een blauwe kleur.
106. Alles losmaken wat strak om de hals zit, zoals knellende kleding.
107. De ademweg vrijhouden door het slachtoffer te laten zitten in de houding die hij het prettigst vindt. Als zitten niet mogelijk is, hem dan in de stabiele zijligging te brengen.
108. De ademweg vrijhouden door het slachtoffer in de stabiele zijligging te brengen.
109. Verslikking.
110. De ademweg vrijmaken door het hoofd opzij te draaien, de mond te openen en deze leeg te maken.
De ademweg vrijhouden door het slachtoffer in de stabiele zijligging te brengen, het hoofd achterover te strekken en de mond en de neus naar de grond te richten.
111. a slaan tussen de schouderbladen
b methode van heimlich
c starten met 30 borstcompressies gevolgd door 2 beademingen
d het verwijderen van het voorwerp met de vingers
112. Onmiddellijk starten met beademen
113. a mond-
b mond-
114. 12 maal
115. a voor kinderen onder de acht jaar 20 maal per minuut beademen
b de adem voorzichtig inblazen zodat de borst van het kind net even omhoog gaat
116. a voor zuigelingen 20 maal inblazen per minuut
b je mond goed sluitend over mond en neusje van de zuigeling plaatsen
c met kleine pufjes (een wang vol) inblazen
117. Op dezelfde wijze als een volwassene. Je plaatst alleen je mond over het stoma.
118. Als het slachtoffer onmiskenbaar iets in de mond heeft, bijvoorbeeld modder, bloed of braaksel, een loszittend kunstgebit en als het slachtoffer een drenkeling is
119. Hem op de zij draaien, de mondholte schoonvegen. Hem terug op de rug draaien en doorgaan met beademen.
120. Door inblazen van lucht in de maag omdat het hoofd niet voldoende achterover wordt gestrekt
121. a het slachtoffer weer spontaan begint te ademen
b deskundige hulp de beademing overneemt
122. Er wordt minder zuurstof in het bloed opgenomen en minder koolzuur aan het bloed afgegeven. De hoeveelheid zuurstof in het bloed daalt en de hoeveelheid koolzuur in het bloed neemt toe.
123. Tot ernstige schade aan de lichaamscellen
124. Bij bewustelozen kan de tong naar achteren zakken en het strotklepje dichtdrukken waardoor de ademweg wordt afgesloten.
125. a verslikking
b ziekten van luchtwegen en longen
c beschadiging ademhalingscentrum of het ruggenmerg
d aangezichtsletsel
e zwelling van het slijmvlies door inademen hete lucht, prikkelende gassen of dampen
f doordringende borstwond
g verdrinking
h ophanging en wurging
i bedelving
j stoornissen in bewustzijn of bloedsomloop
k vergiftiging
l inwerking van elektriciteit
126. een spijsbrok of een ander voorwerp blijft in het strottenhoofd of in de luchtpijp steken.
127. het slachtoffer is aanvankelijk bij bewustzijn en uiterst benauwd. Hij grijpt naar de keel en kan meestal niet spreken en de ogen puilen uit. Als het voorwerp niet verwijderd wordt, loopt het slachtoffer spoedig blauw aan en verliest het het bewustzijn.
128. door ophoping van slijm of door krampachtig samentrekken van de spiertjes die rond de kleinere luchtweg takken zijn gelegen
129. Bij een beroerte, bij hersenletsel en bij nekwervelletsel
130. Door de dikwijls aanzienlijke bloeding die hierbij optreedt en zwelling
van het slijmvlies in neus-
131. omdat soms na pas enkele uren een zwelling van het slijmvlies van keel en luchtpijp kan optreden
132. a het slachtoffer ademt hijgend
b hij voelt zich steeds benauwder en draaierig
c hij krijgt een tintelend gevoel in de vingers en om de mond
133. doordat zoveel koolzuurgas wordt uitgeademd dat het koolzuurgehalte in het bloed sterk daalt.
7 stilstand van de bloedsomloop
134. a het slachtoffer is bewusteloos
b de halsslagader klopt niet
c soms heeft men waargenomen dat het slachtoffer plotseling in elkaar is gezakt
135. Zorgen dat er zuurstofrijk bloed door de aderen wordt gestuwd
136. a het slachtoffer reageert niet op aanspreken b hij reageert niet op zachtjes schudden aan de schouders
137. Aan de halsslagader
138. A Op beide knieën geknield naast het slachtoffer
b De armen gestrekt en loodrecht op het borstbeen
139. Eerst het punt op zoeken waar beide ribbenbogen samenkomen. Van hier grofweg 2 cm (1 vingerbreedte) naar boven gaan. De plaats die daarmee wordt gevonden, is de uiterste ondergrens voor de hand die op het borstbeen wordt gelegd.
140. Gestrekt
141. 5 – 6 centimeter
142. 100 tot 120
143. ter hoogte van de lijn door de tepels. 100 – 120 massages per minuut. 1/3 van het lichaam
144. reanimatie
145. a 30 massages en twee maal beademen
b 30 massages en twee maal beademen om de 2 minuten afwisselen van hulpverlener
146. Op het moment dat de bloedsomloop tot stilstand komt.
147. Als de hersencellen onherstelbaar beschadigd zijn.
148. Door het toepassen van uitwendige hartmassage wordt alleen het bloed weer door de slagaders gestuurd. Beademen is nodig om zuurstof in het bloed te brengen
149. Ervoor te zorgen dat een slachtoffer niet klinisch dood is, het stadium van de biologische dood niet bereikt.
150. Op het moment dat de klinische dood intreedt, begint het slachtoffer af te glijden naar de biologische dood. Hoe meer tijd verstrijkt, des te kleiner de kans dat reanimatie slaagt.
151. Bij sterk onderkoelde slachtoffers, omdat de behoefte aan zuurstof van de cellen aanzienlijk verlaagd is en de cellen van deze slachtoffers veel minder snel schade leiden.
152. Tot weer een hartslag waarneembaar is of deskundige hulp aanwezig is.
153. Bij een nachtwandeling op de heide, gedurende welke een van de twee personen plotseling een stilstand van de bloedsomloop krijgt.
154. a totale uitval van de hartactiviteit
b kamerfladderen (fibrilatie)
155. a stoornissen in de ademhaling
b bepaalde vergiftigingen
c elektriciteit
d te hoge (oververhitting) en te lage (onderkoeling) temperatuur van het lichaam
e groot bloedverlies
Deel 3 Plaatselijke stoornissen en shock
1 de huid
156. a de opperhuid (hoornlaag en de slijmlaag)
b de lederhuid
c het onderhuids bindweefsel
157. a verandering van de hoeveelheid bloed dat door de haarvatennetten van
de huid stroomt
in de warmte voelt de huid warm aan en ziet rood
in de koude voelt de huid koud aan en ziet bleek
b inschakeling van de zweetklieren
door verdamping van zweet wordt extra warmte aan de huid onttrokken
2 uitwendige wonden
158. a de huid is beschadigd (kapot)
b meestal is bloed te zien
c pijn
159. a voorkomen van:
verdere besmetting
voorkomen van infectie
voorkomen van een verder bloedverlies
b genezing van de wond in de kortst mogelijke tijd met zo min mogelijk restverschijnselen
160. a de wond reinigen en ontsmetten
b de wond steriel afdekken
c zonodig steun en rust geven aan het getroffen lichaamsdeel
161. a verdere verontreiniging voorkomen door de wond bij voorkeur steriel maar in ieder geval zo schoon mogelijk af te dekken
b steun en rust aan het getroffen lichaamsdeel geven
162. onder stromend leidingwater met zeep
163. de wond zelf en de naaste omgeving deppen met een ontsmettende vloeistof, bijvoorbeeld “Sterilon”.
164. a wondpleister
b steriel verband
c dekverband
d schone zakdoek of theedoek (deze zijn vaak gestreken dus “schoon”)
165. a steriel gaas om de wond te bedekken en zodoende een verdere besmetting tegen te gaan
b witte watten om het door het gaas sijpelende bloed te kunnen opnemen
c een hydrofiele zwachtel om gaas en witte watten zodanig vast te leggen dat het verband niet meer over de wond kan schuiven
d een bevestigingsmiddel om de zwachtel vast te maken (bijvoorbeeld kleefpleister)
166. het snelverband
167. door met een driekante doek een mitella aan te leggen
168. ten gevolge van een van buiten komend geweld waardoor de normale samenhang van de weefsels wordt verstoord
169. het binnendringen van ziektekiemen in een uitwendige wond
170. door de wond zo schoon mogelijk af te dekken, dat wil zeggen af te schermen tegen de omgeving
171. de besmettingsgraad van de wond zoveel mogelijk te verminderen en zodoende genezing van de wond te bevorderen
172. met een ontstekingsreactie
173. pijn, roodheid, zwelling en warmte
174. door de bloedstolling
175. als ziektekiemen zich in een wond gaan vermenigvuldigen en verspreiden
176. toenemende (kloppende) pijn in de wond, toenemende roodheid en zwelling in de omgeving van de wond en eventueel koorts
177. met een mogelijke besmetting met de tetanus-
178. eenvoudige wonden:
-
-
-
179. ernstige wonden;
-
-
-
-
-
180. met een pincet in de lengterichting van de splinter
181. wonden die tot binnen in de lichaamsholten reiken (bijv. de borst-
3 uitwendige bloedingen
182. a er is een wond (meestal aan de ledematen of de hals)
b in korte tijd komt er veel bloed uit de wond (stootsgewijs of gelijkmatig)
183. voorkomen van verder bloedverlies
184. a neerleggen van het slachtoffer
b stelpen van de bloeding door:
-
-
-
c rust geven van het gewonde lichaamsdeel
d alarmeren
185. a met een dekverband en daaroverheen een wonddrukverband
b met een handdoek, theedoek of kleding (denk ook aan de scoutingdas)
c met de blote hand
186. Als er geen gelegenheid is om verbanden aan te leggen, als de wond na het aanleggen van het verband doorbloedt of als het niet mogelijk is de bloeding te stoppen door het uitoefenen van druk op de wond
187. a het moet gelegen zijn tussen de wond en het hart
b het moet op een harde onderlaag (bot) liggen
c het moet zich op een plaats bevinden waar het bloedvat bereikbaar is voor het dichtdrukken
188. mensen bij wie de bloedstolling sis gestoord, door ziekten (bloederziekte) of door het gebruik van bepaalde geneesmiddelen, de zogenaamde bloedverdunners (bijv. Sintrom, Marcoumar)
189. door het aanleggen van een stompverband
190. in liggende houding Het afgerukte lichaamsdeel moet zo schoon mogelijk worden verpakt en met het slachtoffer mee naar het ziekenhuis worden vervoerd bij voorkeur in een plastic zak met smeltend ijs is gedaan.
191. a het slachtoffer laten liggen
b de ondersleutelbeen slagader dichtdrukken tegen de bovenste rib
c laten alarmeren
192. a het slachtoffer laten liggen
b de liesslagader dichtdrukken tegen het schaambeen
c laten alarmeren
193. door de bovenarmslagader dicht te drukken tegen het opperarmbeen
194. omdat het bloed de zuurstof vervoert, die de cellen voortdurend nodig hebben om in leven te blijven
3 shock
195. het slachtoffer ziet er “slecht” uit en maakt een erg zieke indruk:
-
-
-
-
-
196. voorkomen dat de shock erger wordt
197. a er gaat zo min mogelijk bloed naar die cellen die beter tegen zuurstoftekort kunnen (bijvoorbeeld huid en spieren). Het slachtoffer wordt daardoor bleek en grauw, voelt koud aan en voelt zich moe.
b het slachtoffer gaat “zweten”; hij voelt daardoor klam aan
c het slachtoffer is dorstig. Dit is een signaal dat de hoeveelheid rondstromend bloed onvoldoende is.
198. a bloedverlies
b stoornissen in de werking van het hart
c verlies van lichaamsvocht
199. a uitwendig
b inwendig
200. a in de buikholte
b in de borstholte
c in de spieren en het onderhuidsweefsel
201. a door de oorzaak te bestrijden
b door de algemene maatregelen te nemen
202. Uitwendig bloedverlies
203. Omdat de darmen minder bloed en zuurstof krijgen en daardoor minder goed werken. Het slachtoffer kan misselijk worden en gaan braken. Daarbij dreigt het gevaar van verslikken en beschadiging van de longen.
204. Een slachtoffer met shock moet in principe liggend worden vervoerd. Liefst met de voeten omhoog. Het bloed stroomt dan zo veel mogelijk naar de vitale functies. Vaak is het het beste direct 112 te waarschuwen en zeggen dat het gaat om een slachtoffer met shock of een dreigende shock ten gevolge van ......... (oorzaak). Ambulance personeel kan per direct een infuus toe dienen. .
4 Brandwonden
Hoe groter de oppervlakte van een brandwond, hoe meer risico op dehydratatie en infectie. Bij verbranding over grote oppervlakte gaat de gehele functie van de huid verloren. De overleving van de patiënt is sterk afhankelijk van de oppervlakte van de brandwond.
De oppervlakte van een brandwond wordt uitgedrukt in een percentage ten opzichte van het gehele lichaam. Meest eenvoudig kunnen we dit percentage inschatten door te vergelijken met de oppervlakte van de handpalm van de patiënt: een handpalm komt overeen met 1% verbranding.
Een meer gecompliceerde berekening van de oppervlakte van een brandwond volgt uit de regel van negen. Met deze regel deelt men het lichaam in in elf verschillende zones, elke zone krijgt een waarde van negen procent toegewezen (zie figuur). Een brandwond die een oppervlakte groter dan negen procent inneemt dient te worden geëvalueerd door een arts.
205. -
-
-
206. a voorkomen dat de brandwond zich verder uitbreidt
b voorkomen van besmetting van de brandwond
c genezing van de brandwond in de kortst mogelijke tijd met zo min mogelijk restverschijnselen
d bestrijden van pijn
207. a zonodig de oorzaak van de verbranding opheffen
b altijd langdurig koelen
208. a langdurig koelen
b steriel afdekken
209. a langdurig koelen
b zo schoon mogelijk, bij voorkeur steriel afdekken
c rust en steun geven aan het (de) gewonde lichaamsdeel(delen)
d het slachtoffer zo snel mogelijk (laten) vervoeren naar een arts of ziekenhuis
210. Hij moet onmiddellijk gaan liggen. De vlammen moeten bij voorkeur worden gedoofd door water over het slachtoffer te gieten. Als er geen water bij de hand is, moet hij stevig in een deken, jas, kleed of gordijn, liefst van wol !!!, worden gewikkeld.
211. a nooit gaan rennen want dat wakkert het vuur aan
b niet in paniek raken, de adem inhouden en je op de grond laten vallen. Om en om rollen zodat de vlammen doven.
c zorgen dat je geen rook of vuur binnenkrijgt. Zo voorkom je levensgevaarlijke verbrandingen aan de ademhalingswegen.
212. Met lauw (niet te koud) stromend leidingwater. Is er geen leidingwater bij de hand, dan is in geval van nood zelfs slootwater beter dan niets. Elke seconde telt. Het koelen moet tenminste tien minuten worden volgehouden
213. Omdat door het lostrekken de reeds ontstane blaren kapot gaan.
214. Met metallineverband of steriel gaas.
215. Een pas gewassen theedoek, servet, zakdoek of aluminiumfolie
216. Omdat het dan voor de arts moeilijk is de ernst van de verbranding te beoordelen. Toepassing van deze middelen kan tevens een infectie veroorzaken.
217. a hete vloeistoffen: koffie, thee, water, vet ,olie
b vuur; barbecue, het vlamvatten van kleding
c hete voorwerpen of gassen: een strijkijzer of stoom
d straling zonnestraling, hoogtezon
e elektriciteit: stroom, vonken en blikserm
f bijtende stoffen: zoutzuur, ammonia
218. Van de uitgebreidheid, de diepte en de plaats van de brandwonden en van de leeftijd van het slachtoffer
219. De zenuwuiteinden zijn kapot daardoor geen pijn geleiding.
220. Met de regel van negen. De lichaamsdelen vertegenwoordigen een percentage van het lichaamsoppervlak.
Zie de tekening en uitleg op bladzijde 12. Let op 1 % is de handpalm van het slachtoffer!
221. neen.
Door een andere verhouding van de romp en het hoofd moet bij kinderen met andere percentages worden gerekend, namelijk: 0 tot 5 jaar 5 tot 15 jaar
hoofd, hals, nek 18 % 14 %
één arm 9 % 9 %
voorkant van de romp 18 % 18 %
achterkant van de romp 18 % 18 %
voorkant van één been 7 % 8 %
achterkant van één been 7 % 8 %
222. Wanneer meer dan 9 % van het lichaamsoppervlak in de tweede-
223. Dat de verbranding zich in de diepte en in grootte uitbreidt
224.
A een tweedegraads brandwond, groter dan € 0,20 cent
B een derdegraads brandwond
C brandwonden aan het gelaat, handen, voeten en geslachtsorganen
D verbranding van de luchtwegen, door het inademen van heten rook of gassen
E verbrandingen door elektriciteit of bijtende stoffen
225. Bij verbranding van het gelaat, geschroeide wenkbrauwen of neusharen en prikkelhoest. Deze slachtoffers moeten in het ziekenhuis komen omdat gevaar voor verstikking dreigt. Zij moeten zittend worden vervoerd.
5 botten, gewrichten en spieren
226. Ruim 200
227. In de botten van:
A het hoofd (de schedel)
B de romp
C de ledematen
228. Botweefsel is hard, stevig en weinig elastisch
Kraakbeen weefsel is minder hard en stevig dan botweefsel, maar wel elastisch en soepel
229. Beenmerg. Hierin worden bloedcellen aangemaakt
230. Een beweeglijke verbinding tussen twee botten
231. A gewrichtskop
B gerichtskom
C gewrichtsholte
D gewrichtsslijm
E gewrichtskapsel
F gewrichtsbanden
232. met kraakbeenweefsel
233. a kogelgewricht. De kogelronde kop kan naar alle richtingen bewegen in de ronde kom
b scharniergewricht Kop en kom zijn langwerpig, waardoor beweging slechts in 1 richting kan
c rol gewricht. Het ene been rolt om het andere (spaakbeen en ellepijp)
234. a de hersenschedel
b de aangezichtsschedel
135. het voorhoofdsbeen, de jukbeenderen, de boven-
236. De wervelkolom, de borstkas, de schoudergordel en de bekkengordel
237. uit een aantal op elkaar gestapelde botschijven, de wervels, die door bindweefselbanden met elkaar verbonden zijn
238. tussenwervelschijven. Als schokbrekers
239. een wervellichaam en een wervelboog
240. 33 WERVELS:
-
-
-
-
-
241. De atlas en de draaier
242. De borstwervels, het borstbeen en de ribben
243. A het handvat
B het lichaam
C het zwaardvormig aanhangsel
244. twee schouderbladen en twee sleutelbeenderen
245. twee heupbeenderen en het heiligbeen
246. uit het darmbeen, het zitbeen en het schaambeen
247. het opperarmbeen, het spaakbeen. De ellepijp, de handwortelbeentjes, de middenhandsbeentjes en de vingerkootjes
248. het dijbeen, de knieschijf, het scheenbeen, het kuitbeen, de voetwortelbeentjes waaronder het hielbeen, de middenvoetsbeentjes en de teenkootjes.
6 botbreuken en ontwrichting
249. a pijn
b onvermogen het getroffen lichaamsdeel te gebruiken
c zwelling
d soms:
-
-
-
250. a zorgen dat het slachtoffer zo min mogelijk pijn en ongemak heeft
in afwachting van deskundige hulp
b voorkomen van verdere schade aan het getroffen lichaamsdeel
c bij open botbreuken voorkomen van verdere besmetting
251. a het getroffen lichaamsdeel zo onbeweeglijk mogelijk te houden
b steun en rust geven aan het getroffen lichaamsdeel in de positie waarin het wordt aangetroffen
c bij een open botbreuk de wond afdekken
d zorgen voor deskundige hulp
252. Door het slachtoffer het getroffen lichaamsdeel te laten vasthouden en tegen het lichaam aan te laten houden of door het getroffen lichaamsdeel vast te laten houden door een hulpverlener
253. met een mitella
254. met een brede das
255. met een opgerolde deken, kleren of tassen, waarbij het been zo mogelijk over de gehele lengte wordt gesteund
256. ten gevolge van een van buiten komend geweld waardoor de normale samenhang van het weefsel wordt verstoord
257. gesloten en open botbreuken
258. de kop is uit de kom geschoten. Het gewrichtskapsel en de – banden zijn verscheurd
259. bijvoorbeeld bij een val van enige hoogte, een ongeval met motor of scooter of auto of een duik in ondiep water en pijn alleen in rug of nek
260. beschadiging van het ruggenmerg
261. gevoelsstoornissen in armen en of benen (gevoelloosheid of tintelingen) of bewegingsstoornissen (krachtsverlies of verlamming in armen en of benen)
262. a laat het slachtoffer liggen zoals je hem aantreft
b voorkom elke beweging van de wervelkolom van het slachtoffer
c zorg voor deskundige hulp
263. a breng het slachtoffer in halfzittende houding en ondersteun hem daarbij
b zorg voor deskundige hulp
7 kneuzing en verstuiking<
264. a aanvankelijk alleen pijn
b later ook zwelling en blauwe verkleuring< c zonodig doorsturen naar een arts
265. voorkomen van (een verdere) zwelling
266. a koelen van het getroffen lichaamsdeel
b rust en steun geven aan het getroffen lichaamsdeel
c zonodig doorsturen naar de arts
267. met leidingwater, eventueel slootwater, koude omslagen, of ijsblokjes gedurende tenminste 10 minuten
268. doordat bij de beschadiging van weefsel ook bloedvaatjes verscheuren. Er vindt ook vochtuittreding uit de bloedbaan plaats in het getroffen gebied
269. beperken van zwelling en pijn
270. doordat iemand zich flink stoot, zich klemt of valt. De huid zelf scheurt niet, maar wel het onderhuidse weefsel of de daaronder gelegen spieren
272. een kneuzing ontstaat door geweld van buiten en kan overal voorkomen. Een verstuiking komt alleen voor bij een gewricht en ontstaat door omzwikken
het oog
273. de oogbol en de oogzenuw
274. a het harde oogvlies
b het vaatvlies<
c het netvlies
275. wit het hoornvlies
276. aan de voorkant, onder het hoornvlies dit is het regenboogvlies, dat kleur aan het oog geeft/p>
277. de pupil. Het regenboogvlies regelt door middel van de pupil de sterkte van de lichtinval. Het kan de pupil verwijden of vernauwen. Dit is te zien aan het groter of kleiner worden van de pupil.
278. de lens
279. een geleiachtige massa, het glasachtig lichaam
280. door de oogspieren
281. de oogleden
282. met het bindvlies
283. het traanvocht houdt het hoornvlies en het bindvlies vochtig en spoelt kleine stofjes weg.
10 oogletsels
284. a pijn in één of beide ogen
b rood oog
c tranende ogen en of toegeknepen oogleden
d een bloeding of een vervormde pupil
e angst
f verminderd gezichtsvermogen
285. a zo mogelijk de oorzaak opheffen
b verergering voorkomen
286. met het geruststellen van het slachtoffer, dat angstig en in paniek is, omdat oogletsels vaak gepaard gaan met een plotseling niet meer of minder scherp kunnen zien
287. a trek het bovenste ooglid over het onderste. Het oog gaat dan tranen waardoor het vuiltje wordt weggespoeld
Als het vuiltje niet wordt weggespoeld:
b trek met duim en wijsvinger de oogleden voorzichtig van elkaar. Als het vuiltje zichtbaar is, veeg dit dan met de punt van een steriel gaasje of een schone zakdoek (eventueel een vloeitje) naar de dichtstbijzijnde ooghoek
Veeg nooit over het hoornvlies
c als het vuiltje niet zichtbaar is, laat het slachtoffer dan naar bovenkijken en trek het onderste ooglid naar beneden. Als het vuiltje zich op de oogbol in de plooi van het onderste ooglid bevintdt, veeg het er dan voorzichtig uit
d Zit het vuiltje niet onderin het oog, laat het slachtoffer dan naar beneden kijken en trek het bovenste ooglid zo ver mogelijk omhoog. Als het vuiltje daar zit, veeg het er dan voorzichtig uit.
288. Als het zich op het hoornvlies bevindt of vastzit
289. a slachtoffer geruststellen en zo snel mogelijk naar een (oog) arts of ziekenhuis brengen
b het oog afdekken met een dop, theekopje, bekertje of iets dergelijks, als dit beschikbaar is.
290. In het oog wrijven
291. deze stof zo snel mogelijk met water wegspoelen en hem daarna naar een (oog)arts of ziekenhuis brengen.
292. Bij bijtende stoffen in het oog en bij verbranding van het oog, gedurende tenminste 10 minuten
293. door inwerking van ultraviolette stralen van lasapparatuur, hoogtezon, felle lampen of felle zon op sneeuw
294. a hevig stekende pijn in de ogen
b tranen
c rode ogen
295. bij een loszittend vuiltje op het wit van het oog of aan de binnenkant van het ooglid.
296. gevaar voor het ontstaan van blindheid. Snel handelen.
297. Door de druk kan vocht uit het inwendige van het oog verloren gaan
Deel 4 Situaties en ongevallen die kunnen leiden tot stoornissen in de vitale functies en tot plaatselijke stoornissen
1 vergiftiging
298. a in vaste vorm
b in vloeibare vorm
c in gas-
299. a via het spijsverteringskanaal
b via de ademweg
c via de huid
300. als giftige stoffen in het lichaam in een zodanige hoeveelheid komen dat daardoor de werking van een of meer organen of orgaanstelsels wordt verstoord
301. acute en chronische vergiftigingen
302. bij ongevallen waarbij chemische stoffen plotseling vrijkomen, zoals bij lekkages en branden. Voorts wanneer kinderen per ongeluk huishoudproducten of rondslingerende geneesmiddelen innemen en wanneer volwassenen bestrijdingsmiddelen of te veel geneesmiddelen binnen krijgen.
303. Door dat men dagelijks aan kleine hoeveelheden giftige stoffen wordt blootgesteld
304. A bijtende stoffen B petroleumproducten
C niet-
305. Vaatwasmachinemiddelen, gootsteenontstoppers, toiletreinigers, soldeervloeistof, ammonia, ontroesters
306. de lippen, het slijmvlies van mond, keel, slokdarm of maag kunnen worden beschadigd.
307. Het slachtoffer zo snel mogelijk 1 tot 2 glazen water laten drinken om het gif te verdunnen (kinderen ½ tot 1 glas water) en het slachtoffer direct naar een arts of ziekenhuis laten brengen. Altijd moet de verpakking worden meegegeven of als dat niet mogelijk is. Het restant van de bijtende stof. Het slachtoffer >niet laten braken.
308. Gekleurde lampoliën, terpentine, meubelolie
309. Een chemische longontsteking, omdat zij bij het inslikken gemakkelijk in de luchtwegen terecht kunnen Komen.
310. Zorgen dat het slachtoffer zo snel mogelijk naar een arts of een ziekenhuis wordt gebracht. De verpakking of als dat niet mogelijk is, het restant van de giftige stof meegeven. Het slachtoffer niet laten braken.
311. Geneesmiddelen die niet op de juiste manier en in de voorgeschreven hoeveelheid worden ingenomen. Bestrijdingsmiddelen, giftige planten, vruchten en paddestoelen.
312. Proberen het slachtoffer te laten braken om zo de opname van de giftige stof tegen te gaan.
Het slachtoffer niet laten drinken en hem zo snel mogelijk naar een ziekenhuis laten brengen. De verpakking, of als dat niet mogelijk is, het restant van de giftige stof meegeven.
313. a gassen en dampen met een prikkelende werking op de slijmvliezen van de luchtwegen
b gassen en dampen die pas na opname in het bloed hun werking hebben
314. Chloorgas en ammoniak. Prikkelhoest, pijn bij zuchten en kortademigheid.
315. Stoornissen in het bewustzijn, dikwijls voorafgegaan door hoofdpijn, misselijkheid en kloppende slapen
316. Het slachtoffer moet zo snel mogelijk in de frisse lucht worden gebracht. Steeds moet snel voor deskundige hulp worden gezorgd, ook wanneer het slachtoffer nog weinig klachten heeft.
317. a stoffen met schadelijke effecten op de huid
b stoffen die door de huid worden opgenomen
318. De met de stof doordrenkte kleding verwijderen, zonder die met de blote handen aan te raken (handschoenen). Besmette kleding moet in een bij voorkeur papieren zak worden gedaan. De huid met veel stromend water afspoelen gedurende 10 tot 15 minuten. Eventuele chemische brandwonden na het spoelen afdekken Zorgen dat het slachtoffer snel in een ziekenhuis komt.
2 elektriciteitsongevallen
319. De stroomtoevoer moet worden verbroken door de schakelaar, bij voorkeur de hoofdschakelaar, om te draaien en of de stekker uit het stopcontact te trekken. Wanneer dit niet lukt, moet worden geprobeerd het slachtoffer van de stroomgeleider los te maken
320. Alles wat nat is, metalen, water en het menselijk lichaam
321. Rubber, droog hout, glas, droog textiel, droog papier en glas
322.
a op een droog, niet metalen voorwerp gaan staan (droge plank, deken, jas of rubbermat)
b de hand waarmee het slachtoffer wordt vastgepakt omwikkelen met een dikke laag droog textiel of een ander, niet geleidend, materiaal (papier, rubber, leren of wollen handschoenen)
c met een droge stok de onder stroom stande draad of het apparaat van het slachtoffer verwijderen
323. a spierkramp. Het slachtoffer kan daarom de stroombron niet meer loslaten
b stoornissen in het hartritme, waardoor een stilstand van de bloedsomloop kan ontstaan
c beschadiging van de hersenen, met als gevolg bewusteloosheid en ademstilstand
d brandwonden op die plaatsen waar de stroom het lichaam in-
3 koude en warmte
324.
a algehele onderkoeling bij het slachtoffer. Hij is dan bevangen door de koude
b plaatselijke onderkoeling, die aanleiding kan geven tot bevriezing van bepaalde lichaamsdelen.
325. Het slachtoffer:
-
-
-
-
326. a verdere afkoeling voorkomen
b de vitale functies veiligstellen
327. Bij een slachtoffer dat gedurende kortere of langere tijd aan een lage omgevingstemperatuur is blootgesteld, vooral als hij een gestoord bewustzijn heeft of op de grond ligt
328. het bewustzijnsniveau
329. eerste graads: bleekgrijze verkleuring van de huid en een stekende pijn
tweede graads: blaren en een stekende pijn
derde graads: spierwitte huid die gevoelloos is
330. a uitbreiding voorkomen
b infectie voorkomen
331. het slachtoffer moet in een warme omgeving worden gebracht.
Natte kleding moet worden uitgetrokken
De getroffen lichaamsdelen kunnen voorzichtig worden opgewarmd met de eigen lichaamswarmte
van het slachtoffer of met die van de ehbo-
Blaren worden afgedekt met een dekverband
332. a de omgevingstemperatuur
b de duur van de blootstelling aan de koude
c de luchtvochtigheid
d de windsnelheid
e de mate van bescherming (kleding en beweging)
333. Als er veel wind is en als iemand zich in het water bevindt. Als iemand alcohol heeft gedronken
334. Omdat de hartslag zo traag is dat die nauwelijks meer waarneembaar is.
335. Het slachtoffer is:
A bleek
B transpireert hevig
C heeft hoofdpijn en of is misselijk
D heeft soms pijn in de spieren van armen of benen
336. a verwardheid en bizar gedrag
b bewustzijnsstoornissen
c de huid wordt droog
d soms toevallen
e soms shock en stilstand van de bloedsomloop
337. a trachten de lichaamstemperatuur te normaliseren
b zo mogelijk aanvullen van het tekort aan zout en water
338. Altijd:
-
-
In ernstige gevallen:
-
-
-
-
339. Hitteberoerte
340. Zout en water
341. tussen 36 en 37 graden celcius
342. De lichaamscellen gaan minder goed functioneren en de stofwisselingsprocessen kunnen uiteindelijk ernstig verstoord raken
343. Door uitstraling en transpiratie
344. Van de hoeveelheid geproduceerde warmte en van de temperatuur en de vochtigheid van de omgeving
345. Zodra de warmteproductie in het lichaam groter wordt dan de warmteafgifte.
346. Met natte doeken, die telkens ververst worden.
Deel 5 Verband en hulpmiddelen
347. a steriel gaas
b kleefpleister
c gaaspleister
d zwachtels
e watten
f snelverband
g metalline verband
h driekante doek
348. Steriel gaas is gaas dat kiemvrij is gemaakt en in een donkere en droge omgeving geruimte tijd (1 ½ jaar) steriel blijft. Het is ook hydrofiel (vochtopnemend)
349. Een strook steriel gaas, vastgehecht op kleefpleister. Soms is het steriele
gaas gedrenkt in een desinfecterende stof, bijvoorbeeld Betadine-
350. a hydrofiele zwachtel (hydrofiel windsel
b elastisch hydrofiel windsel
c cambric zwachtel (cambric windsel) Ideaal windsel
351. a witte watten
b vette watten
c synthetische watten
352. Uit steriel gaas, witte watten of een ander sterk vochtopnemend materiaal en een hydrofiele zwachtel of elastisch gaaswindsel ineen.
353. a nummer 1: uitgevouwen 12 x 12 of 12 x 10
b nummer 2: uitgevouwen 18 x 18
c nummer 3: uitgevouwen 18 x 28
d nummer 4: uitgevouwen 28 x 28
354. Uit een steriel, vochtopnemend wondkussen en een elastische hydrofiele zwachtel, die aan beide zijden is voorzien van een stukje kleefpleister.
355. Een met geperforeerd aluminium bedekt verband, gecombineerd met een sterk vochtopnemend materiaal. Het is kiemvrij.
356. a geheel uitgevouwen
b eenmaal dubbel gevouwen (bijvoorbeeld voor kinderen)
c in vieren gevouwen (brede das)
d in zessen gevouwen (smalle das)
357. doodt ziektekiemen